Na corona

Er was eens een kapje dat Mondkápje heette, een gewezen virusafremmer. Ze hing nutteloos doch fier in het Nationaal Coronatijdperkmuseum dat vanaf de opening meteen viraal ging en altijd viraal is gebleven. Men kan er kranten lezen, ruzies beluisteren en fotoreportages bekijken van lege straten en steden. Er is toiletpapier te bezichtigen waaraan destijds een schijnbaar tekort was en om die reden hele veldslagen uitlokte. 

Op een dag liep de conservator naar Mondkápje. 
“Je grootmoeder is een beetje ziek,” zei de conservator bezorgd tegen Mondkápje. Wat natuurlijk onzin was, want de conservator – laten we hem Hugo noemen – praatte feitelijk tegen zichzelf. Dat wist ie. Maar tegen ‘niemand’ praten was altijd nog beter dan je stem nooit meer gebruiken. In het museum liepen bezoekers in stilte door; praten in het openbaar werd nauwelijks gedaan. Dit was vanwege de angst om, voor welk virus dan ook, transportmiddelen te genereren en niemand wilde terug naar het dragen van mondkapjes: virussen zouden zich via businessclass laten vervoeren. Moest je niet willen.

De grootmoeder van Hugo was al tijden ziek: chronische melancholie. 
“Wil jij met me mee om een mandje zure appels te brengen? Daar houdt ze van, om doorheen te bijten. Men deed vroeger niet anders.”
Natuurlijk wilde Mondkápje mee. 
“Maar dan wil ik je wel even opzetten als we er zijn, dat ziet niemand en het is voor grootmoeder goede therapie.” 
Mondkápje verdween in de jaszak van haar toezichthouder, waarbij een van de touwtjes sierlijk over de rand bungelde.

Onderweg baande de conservator zich een weg tussen de drommen geluidloze mensen op straat die elkaar om de haverklap omhelsden. Plots stond er iemand recht tegenover Hugo. Het was Boa de Wolf, een oude kennis van Hugo en voormalig ambassadeur van Mondkápje. Hij keek strak naar het herkenbare touwtje uit Hugo’s jaszak. 
‘Jij weet toch wel dat zij niet meer gedragen mag worden, toch? Ik wil dat niet meer zien!’ sprak De Wolf in dreigende gebarentaal. 

“Ik ben op weg naar grootmoeder om oude tijden te herbeleven,” sprak Hugo van schrik hardop, “ze heeft chronische melancholie, waar ik eigenlijk wel klaar mee ben, maar de melancholie is nog niet klaar met grootmoeder.”
‘Niet van die lange zinnen!’ gebaarde De Wolf streng waarna hij zijn wijsvinger op zijn lippen legde. Hij gebaarde verder: de vingers van De Wolfs rechterhand liepen zijn linkerhand uit (‘zoiets kan zomaar weer uit de hand lopen’). Hugo stak zijn duim omhoog en liep verder.

Toen Hugo bij het huis van grootmoeder arriveerde zette hij het appelmandje neer en keek door het raam naar binnen. Hugo zag De Jager, een oud-collega, tevreden met z’n vingers op tafel trommelen. Hugo zag nog iemand aanschuiven: De Wolf! Ze hadden een geanimeerd gesprek met z’n drieën, gewoon gesproken, met anderhalve meter ruimte tussen hen in. De Wolf had iets over zijn mond. Mondkápje! Verschrikt grabbelde Hugo in zijn jaszak: leeg! 

Hugo bleek drager en De Wolf was nu positief: chronische melancholie was besmettelijker dan ooit en zou nog lang en gelukkig gedijen. 

Jeannette Nederlof-Besemer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s